De eerste tijd nadat All Fours van Swamp Baby in de bus rolde,
vond ik het maar een vaag plaatje...
Het lezen van teksten als ‘I shot the moon – DOA on the lake, I shot the breeze – asleep in summer trees’ of ‘In the book of holes, Same old spell for every face. A young girl’s lips, Keep rotten teeth there in my head’, maakten me nieuwsgierig naar de mensen erachter.
Maar zelfs het internet bood weinig aanknopingspunten over dit viertal uit Albany, NY. Okee, op een blog steken ze uitgebreid de loftrompet over het –inderdaad uitstekend verzorgde- hoesontwerp.
Verder dragen de leden van Swamp Baby bijnamen als Turtle Man, Mongoose, Frogmouth en Mudpuppy en blijkt de plaat te zijn opgenomen in een ‘Multi Faith Temple’ waar twee van de groepsleden eerder ook in het huwelijk traden. Nauwelijks een behoorlijke bandbio te vinden dus, maar wél een van de trouwfoto’s! Nét waar ik op hoopte, maar niet heus!
Maar ondertussen is All Fours wel degelijk een boeiend album, en deed het me geregeld denken aan de laatste The Low Anthem, een van m’n favorieten uit 2009. Want ook deze grotestadsgroep ‘vlucht’ met succes in muziek die veel meer de sfeer van prairies en moerassen ademt. Het instrumentarium van Swamp Baby is weliswaar iets conventioneler (al worden vooral de viool en electrische gitaar van Megan en Mike Hotter veelzijdig en effectief ingezet) en de nadruk ligt minder vaak op het onderlinge stemmenspel. Maar het gevoel is beslist vergelijkbaar. Want ook hier krijgen het organische karakter van de goeddeels acoustische begeleiding, de intrigerende, bijna fluisterend gezongen teksten en de atmosfeer van het moment alle ruimte.
En wanneer je de plaat aandachtig luistert kun je inderdaad bijna weer ‘aanschuiven’ bij de vier muzikanten die, kruislings tegenover elkaar gezeten in het kerkzaaltje om de hoek, de basis van All Fours in twee dagen op de band zette.
Die is in beginsel vooral folk-achtig, maar herbergt ook een psychedelische inslag, die geaccentueerd wordt door de wijze waarop alle muzikale elementen (inclusief allerlei omgevings- en gewoonlijk ongewenste geluiden) worden samengesmeed. Vooral de tweede helft van de plaat, met als spil de twee-eenheid van het sferische en van subtiele geluidseffecten voorziene Sin Pan Alley en Baby On Board the Luminous Vehicle, vormt een wonderlijk tripje.
En precies dat beweegt me ertoe de plaat steeds toch weer opnieuw te luisteren. Vaag... maar verleidelijk!
Eddie Aarts
copyright - 2010 - iAmericana.eu design by Studio 470
door JOLANDA HAANSKORF photo: RENE HAANSKORF
Een zonnige 2e pinksterdag. Op weg naar Bergen op Zoom…
Jos van den Boom en Bert van Kessel hebben voor het Crossroads Festival een line-up van internationale en nationale artiesten gekozen waar elke americana liefhebber voor warmloopt. Na een warm ontvangst en menige begroetingen hier en daar valt me op hoe de sfeer in het Vestzaktheater “Het Zwijnshoofd” zoals altijd voortreffelijk is. Nieuwe gezichten, oude bekenden, fotografen, artiesten, enthousiaste muziekliefhebbers… ze lopen door elkaar en praten met elkaar… zoals het hoort.
Rond de klok van 2 uur begint het eerste optreden:
Matt Keating (New York) komt samen met Cassis Birgit Staudt het podium op. Een prachtige set, een beetje folkrock o.a. “Louisiana” en veelal akoestische ballads ( “Leave You or Leave it Alone”). Eerlijke teksten en een pakkende stem. We zullen het er allemaal over eens zijn dat Matt een geweldig songwriter is. Cassis vult zijn gitaarspel perfect aan met haar accordeon. Een goed begin van de dag.
Daarna is de beurt aan Jenny Whiteley en haar echtgenoot Joey Wright (Canada). Ze zijn voor het eerst in Nederland, voor het eerst in Europa.
Het Crossroads festival is hun eerst optreden hier en so far so good, they like what they see. Country, folk, ballads, hier en daar een zweempje bluegrass (“Day Without Words”) en dan het prachtige “Write Me Away” doet me denken aan de Be Good Tanya’s.
Tijdens de break is het heerlijk om te luisteren naar Albert Goes West (NL), een gezellige band die voornamelijk covers speelt, Gram Parsons en Elvis Presley.
Dan is het het tijd voor Allez Soldaat (NL), dit keer Bjorn van der Doelen samen met gitarist Ruud van den Boogaard (vaste gitarist van JW Roy). Vorige week stond de volle band nog op de bühne van De Groene Engel, nu is Allez Soldaat gekrompen tot duo.. Verrassend genoeg doet dit me meer plezier dan wat ik in Oss (Route 66) heb gehoord.
Sarah MacDougall en Timothy Tweedale (Can.). Twee heel spontane gezichten, beiden met positieve uitstraling. Op Sarah’s myspace pagina staat eenvoudig maar doeltreffend: “Hi. I write music and sing songs. I travel all over and play them for people.” Het rustige ‘Ramblin’’ wordt opgevolgd door het swingende ‘Crows Lement’. Tim begeleidt haar op steelguitar, en zingt regelmatig mee. Serieus in z’n muziekspel en heerlijk vrolijk. Een folky repertoire wat met enthousiasme en plezier wordt gebracht.
Grayson Capps (USA) is in the house !! Met dank aan Joanna Serraris. Southern rock op z’n best. Een geweldige rauwe stem en een fantastische gig. Hij krijgt het hele publiek op z’n hand ! Daron Douglas staat naast hem en speelt fantastisch viool. Knap werk ! ‘Back to the Country’, ‘I See You’, het emotionele ‘Washboard Lisa’ en het pakkende ‘Poison’, stuk voor stuk toppers.
Albert Lee (UK) is zonder meer een fantastisch gitarist met een aparte ietwat hoge stem. Hij heeft al op het podium gestaan met grote namen als Sheryl Crow, Eric Clapton en Vince Gill. Rock, blues en rockabilly door elkaar. Vijftallig op het podium, een heus concert. Meerstemmig op mooie ballands. Een geweldige show wat zorgde voor een bewegend publiek tijdens prachtnummers als ‘Runaway Train’, ‘Evangelina’ en zelfs swingend op ‘Breathless’ met het hoge hillbilly gehalte. Een fantastische afsluiter van deze prachtige dag.
Je hebt van die albums die je graag goed wilt vinden. Toen ik in de aanloop naar de release van Love On The Dial het titelnummer in een live-uitvoering ergens op het internet tegenkwam was ik enthousiast, zelden zo’n heerlijk stukje country-soul gehoord,dat beloofde heel veel goeds.
Genoemd naar de straat in Austin, Texas waar de heren voor het eerst repeteerden bestaan de Stone River Boys uit niemand minder dan ex Paladin en Hacienda Brother Dave Gonzalez en zanger Mike Barfield voornamelijk aangevuld met steel-gitarist Dave Biller en bassist Scott Esbeck (Los Straitjackets).
Love On The Dial opent prima met de Stephen Bruton cover Bluebonnet Blue en het funky Can I Change My Mind (met heerlijk zuigend orgel), maar al vanaf het derde nummer dat toepasselijk The Struggle heet valt er weinig meer te genieten.
Het loopt niet, country en funk kunnen prima samen werken, maar doet het hier nergens. De bassist hakt zich 4 minuten lang door het nummer heen, de groovy horn sectie is volkomen misplaatst en de combinatie van country en funky gitaar is geen gelukkige.
The Struggle lijkt model te staan voor de rest van het album, countryballad 40 Acres is nog zeer de moeite waard maar daarna zakt het allemaal wel heel ver weg. Barfield is toch al geen geweldige zanger en als het muzikaal al niet loopt valt hij extra door de mand. Erg jammer, de verwachtingen waren erg hoog gespannen, maar Love On The Dial valt vies tegen, daar kunnen het fantastische titelnummer en de drie andere sterke nummers geen veranderinging in brengen.
Track Listing:
1.Love On The Dial - Stone River Boys
2.La La La Blues - Pokey LaFarge
3.Special 20 - Tim Easton
4.Beautiful Ride - Sally Spring
5.Driving Song - Matt Harlan
6.Small, Town, Saturday Night - Otis Gibbs
7.The Shabby Bride - K.C.McKanzie
8.Man From Another Time - Seasick Steve
9.Pancho & Lefty - Townes van Zandt
10. Rita Ballou - Guy Clark
Peter Case is een in 1954 in Buffalo, New York geboren ‘songwriters songwriter’, wat zoveel wil zeggen als dat hij vooral gewaardeerd wordt door collega’s. Dat dit zo is, moge onder meer blijken uit het feit dat in 2006 een omvangrijk document verscheen onder de titel “A Case For Case”, een collectie van maar liefst 3 cd’s met daarop ruim 40 artiesten van naam (onder wie: Chris Smither, John Prine, Tom Russell en Gurf Morlix). Elk van hen geeft op die cd een eigen interpretatie van een song van de man die met zijn in 1989 verschenen album “The Man With The Blue Post-Modern Fragmented Neo-Traditionalist Guitar” mede aan de wieg stond van de “unplugged movement”.
Case begon zijn carrière als lid van de powerpopband The Nerves (van de originele versie van de Blondie-hit: Hangin’ On The Telephone). Later sloot hij zich in Los Angeles aan bij de rockgroep The Plimsouls, welke band slechts een kort leven beschoren was. Hoewel dus aanvankelijk actief in de powerpop- en rockhoek was Case al van kinds af aan geïnteresseerd in folk en blues. Artiesten als Mississippi John Hurt, Leadbelly en Woody Guthrie maakten diepe indruk op hem. Sinds zijn door T-Bone Burnett geproduceerde titelloze debuut in 1986 laat Case die invloeden ook doorschemeren in zijn eigen werk. Dat werk laat zich het best omschrijven als een amalgaam van blues, rock’n’roll, country, soul, R&B en folk. Aanvankelijk wilde het niet zo vlotten met de verkoopcijfers van zijn Peter’s eigen plaatwerk, laat staan dat daar voor een grote platenmaatschappij geld aan te verdienen viel. Het megalabel Geffen zette hem dan ook na 3 albums aan de kant. Maar dankzij de inspanningen van het onafhankelijke Vanguard is er in het afgelopen decennium een terechte kentering gekomen in die verkoopcijfers. Sinds kort maakt Peter – net hersteld is van een zware hartoperatie – zelfs deel uit van het roster van het uitstekende Yep Roc Records. Ook zijn nieuwste (11e) soloplaat Wig! verschijnt een dezer dagen op dat label. Dat album is een tamelijk ongepolijst en authentiek klinkend werkje geworden. Precies zoals dit soort muziek hoort te klinken: simpel en direct! De twaalf stukken zijn grotendeels live in de studio ingespeeld door Peter en zijn begeleiders DJ Bonebrake (van X en van The Knitters) op drums en Ron Franklin (Gasoline Silver) op gitaar. Met de twaalf songs op Wig! toont Peter Case opnieuw aan dat hij tot de beste songwriters van deze tijd behoort. Songs als Banks of the River, My kind of Trouble, Dig What You’re Putting Away, House Rent Jump en de remake van Case’s eigen New Old Blue Car zullen iedere rootsliefhebber goed doen. Aangezien Wig! bol staat van dit soort rauwe folk troubadour songs, kan er maar één conclusie worden getrokken: Peter Case heeft andermaal een parel toegevoegd aan zijn toch al indrukwekkende oeuvre! (Jos van den Boom)
Phantom Puercos is een gezelschap van vier muzikanten uit Nijmegen. Een jaar of vijf geleden debuteerde de mannen met een – ondanks de erg amateuristische afwerking (zelfgebrand en voorzien van een plakpapieren label) – erg sympathiek EP’tje. De eerste volwaardige cd van Phantom Puercos ‘Woold’, die 2 jaar geleden verscheen, is eerlijk gezegd aan mijn aandacht ontsnapt. Anno 2010 blijken de veertigers Tonnie van der Luits (gitaar/banjo/zang), John Koolen (div. gitaren, lapsteel), Eef Dijkstra (bas) en drummer Peer de Cocq (ook) in muzikaal opzicht zéér volwassen te zijn geworden. Hun onlangs verschenen album III vormt daar het beste bewijs van. Niet alleen is het artwork ditmaal écht professioneel uitgevoerd, ook het muzikale aanbod van de Phantom Puercos verdient inmiddels de kwalificatie “uitstekend”. Onvervalste Americana – of altcountry zo je wilt –, dat is wat ons op III wordt geboden.
Het album opent met het lekker uptempo rockende Eighty Eight. Een betere entree had men zich niet kunnen wensen! In de stukken die daarna volgen en die zowel qua muziekstijl als qua volume prettige gemixed zijn klinkt een grote hoeveelheid invloeden van gerenommeerde artiesten door. Neil Young in The King And His Wife), 16 Horsepower in Blackhole en ook in Traveller, en Wilco in Me And My Sister en zeker ook in het weemoedige Room Full Of Ghosts. Of deze fantoomvarkens (wie bedenkt zo’n naam!) lekker hebben zitten wroeten in hun platencollectie! Toch is nergens sprake van epigonisme. Integendeel, de Phantom Puercos geven wel degelijk een heel eigen kleur aan hun muziek. Bij de uitvoering van hun in het algemeen bezwerende songs wordt hun basis van bas, gitaar en slagwerk op gepaste momenten aangevuld met een hammondorgel, een banjo, een lapsteel, een mandoline en een accordeon en dat geeft het geheel extra glans. Speciale aandacht ook verdienen de prima teksten van de songs, die veelal handelen over geluk en eenzaamheid, liefde en de zelfkant van het bestaan.
Tot slot mag niet onvermeld blijven dat de productie van III in handen was van Sebastiaan van Bijlevelt van de eveneens uit Nijmegen en omstreken afkomstige band Okieson. Kennelijk is de omgeving van de Ooipolder een goeie broedplaats voor muzikaal talent. Jammer alleen voor de Phantom Puercos dat de Nederlandse radio tegenwoordig nog maar weinig radioprogramma’s kent waarin plaats is voor dit soort muziek. Ze zouden het verdienen om minstens enkele malen per dag door een groot publiek gehoord te worden! (Jos van den Boom)
“ I walk a crooked road to get where I am going,
To get where I am going I must walk a crooked road.
And only when I’m looking back I see the straight and narrow,
I see the straight and narrow, when I walk a crooked road.”
De titel van Darrell Scotts achtste solo-album A Crooked Road verwijst naar zijn leven. Of het leven. Met het naderen van zijn vijftigste verjaardag keek hij terug op de liedjes die hij de laatste jaren had geschreven en die bleken een boeiend overzicht te vormen van de vele facetten waaruit zijn leven was opgebouwd. Na dertig jaar van relaties [en nu voor het eerst weer single] concentreren de intieme teksten zich vooral op de vele ups and downs in zijn liefdesleven. Hij beschrijft het opnemen van deze plaat als “scary” omdat de liedjes zo diep in zijn eigen ik graven; hij heeft dan ook lang getwijfeld of hij de plaat durfde uit te brengen. Het is, met alleen de steun van zijn vaste geluidsdame Stephanie Hudacek, een echt solo-project geworden, thuis opgenomen, waarin Darrell steeds een basisspoor opnam met een enkel passend instrument, om daarna het muzikale palet in te vullen met de overige instrumenten, allemaal bespeeld door hemzelf. Soms heel sober, met bijvoorbeeld alleen wat banjo-getokkel als toevoeging, dan weer lijkt het alsof hij wordt ondersteund door een complete band. Zijn warme, pakkende stem, die regelmatig qua soul en frasering aan Lowell George doet denken, zorgt ervoor dat de luisteraar twee cds lang geboeid blijft, ondanks een zekere eenvormigheid die in de plaat geslopen is.
Met veel verwijzingen naar “op weg zijn” laat de cd zich beluisteren als een reis door Darrells leven. De titelsong zet onmiddellijk de toon: “I will sing a lonesome song to anyone who’ll listen”. In de twintig liedjes komen vele gevoelens aan de orde die een rol spelen bij het aangaan en verbreken van relaties, van passie tot wroeging tot schuldbesef, van piekeren tot humor tot opluchting. De intimiteit word soms zelfs wat gênant, zeker wanneer Darrell zich in wat sombere overpeinzingen, verpakt in donkere liedjes, uiterst kwetsbaar opstelt. Zoals bijvoorbeeld in het emotionele "A Father's Song," dat hij samen met zijn vader Wayne Scott, ook muzikant, schreef. Ook het liedje dat hij samen met zijn meest recente ex-partner, Suzi Ragsdale, schreef, raakt de luisteraar waar het pijn doet, evenals het bluesy "Snow Queen and Drama Llama." Daarvan hadden er misschien meer op deze plaat mogen staan om het luistertechnisch wat gevarieerder te maken. Maar wat een pakkend album! (Bert Van Kessel)
Kevin Russell, een in Beaumont TX geboren muzikant, functioneert alweer zo’n 16 jaar als het boegbeeld van The Gourds, de band die al vanaf haar oprichting de koppositie inneemt in de eredivisie van de ‘rock & lol’. Jaren geleden – in 2002 - sloeg Kevin al eens een zijweggetje in. Met Junker leverde hij toen het aardige album Buttermilk & Rifles af. Sinds 2006 wijkt Russell op gezette tijden opnieuw af van The Gourds-hoofdlaan om onder het pseudoniem Shinyribs eigen optredens te verzorgen. De tijd blijkt nu rijp te zijn voor een heuse debuutplaat onder die naam: Well After Awhile. Met het werk van zijn hoofdwerkgever heeft dit project in muzikaal opzicht niet zo heel veel van doen. Omringd door een stevig basisteam van muzikanten, met daarin onder meer Phoebe Hunt van The Belleville Outfit), brengt Shinyribs een fraaie mix van – bijna allemaal door Russell geschreven – uitstekende Americana, altcountry en rootsrock songs. En op gepaste momenten krijgt Shinyribs dan ook nog assistentie van gelauterde artiesten als Ray Wylie Hubbard, Bukka Allen, Michael Fracasso en Scrappy Jud Newcomb. Zie dan maar eens kans nog slechte plaat te maken! Dat is Shinyribs dan ook niet gelukt, integendeel Well After Awhile is van grote klasse. Op sommige momenten ligt de vergelijking met John Hiatt voor de hand. Dat is voor een deel te wijten aan de typische, enigszins rasperige zangstem van Russell, die enige overeenkomst vertoont met Hiatt, en voor een deel aan de gekozen instrumentatie van de liedjes, waarin ook enige Hiatt-invloed lijkt door te klinken. Hoe dan ook, storend is dat op geen enkel moment. Well After Awhile kent geen zwakke momenten. Het Tex-Mex liedje Country Cool, met het regelmatig terugkerende zinnetje “I’m a little bit crazy, but I ain’t no fool”, is zelfs een potentiële radiohit. En datzelfde geldt voor het eveneens uptempo gespeelde (If You Need The) 442. In het funky East TX Dust duikt Ray Wylie Hubbard op, terwijl Russell in Shores of Galilee, in duet gaat met zijn landgenote Sally Allen. Poor People’s Store lijkt een moderne versie van een Sam & Dave song uit de jaren ‘50 maar is wel degelijk een original van de hand van Kevin zelf. De afsluiter van het album tot slot, is echt verrassend. Shinyribs zet hier haar tanden in Sam Cooke’s A Change Is Gonna Come. Deze kale vertolking met enkel een ukelele (?) is werkelijk prachtig! Het moet raar gaan wil dit Shinyribsdebuut niet in mijn top 10 over 2010 eindigen.
Jos van den Boom